Snelle en trage suikers, allicht heb je er al eens van gehoord. Wat zijn de verschillen tussen beide? En in welke voedingsproducten zitten deze suikers?

Snelle suikers (enkelvoudige koolhydraten) hebben een hoge glycemische index (GI). Terwijl trage suikers (complexe koolhydraten) een lage GI hebben. De GI is een maat voor de snelheid waarmee de bloedsuikerspiegel stijgt na inname van koolhydraten via de voeding.

Voeding met een hoge GI heeft een korte verteringstijd. Suikers worden sneller en in grotere hoeveelheden afgegeven aan de bloedbaan. Ze veroorzaken een felle stijging van de bloedsuikerspiegel en creëren een energieboost.

Voeding met een lage GI heeft een lange verteringstijd. Suikers worden trager en in kleine hoeveelheden afgegeven aan de bloedbaan. Er ontstaat een lichte stijging van de bloedsuikerspiegel. Daardoor gebruik je de energie geleidelijk aan.

Koolhydraatproducten met een lage GI-waarde genieten de voorkeur, aangezien ze de bloedsuikerspiegel minder doen stijgen en dankzij de tragere maaglediging voor een langer verzadigingsgevoel zorgen.

Hoge GI (≥ 70): glucose, frietjes, aardappelpuree, cornflakes, chips, tafelsuiker (sucrose), wit brood, witte rijst, aardappel, ...

Gemiddelde GI (56 - 69): bruin brood, couscous, rozijnen, bruine rijst, ...

Lage GI (≤ 55): muesli, witte pasta, volkoren pasta, banaan, volkoren brood, quinoa, zoete aardappel, ...