Intervaltrainingen zijn de beste manier om je snelheid op te krikken en de eentonigheid van het lopen te doorbreken. Maar begin er niet onvoorbereid aan, want dan loeren blessures om de hoek. Daarom: een handleiding.

Het is februari 2015 wanneer de vriendelijke jongeman van de fitnessclub me een A4'tje toestopt: "Volg dit schema twaalf weken en je loopt moeiteloos de DVV Antwerp 10 Miles uit." Een dag later sta ik al in het bos om mijn eerste training af te werken. In een rustig tempo, want ik weet dat ik even blessuregevoelig ben als de kuiten van Rode Duivel Vincent Kompany. Voor de tweede loopdag staat er al een intervaltraining op het menu. Ik stel me er geen vragen bij, maar merk toch aan alles dat ik het niet gewend ben om snel te lopen. Na enkele intensieve rondjes van 400 meter hoor ik mezelf schurend en piepend naar adem happen.

De week nadien volgt een nieuwe intervaltraining. Ik ploeter als vanouds verder en geef mezelf een bezweet schouderklopje. Nog tien weken te gaan, dan moeten die 10 Miles eraan! Een paar dagen later lig ik helaas uitgeteld in de lappenmand. Een echo wijst al snel uit dat ik een scheenbeenvliesontsteking heb opgelopen, plus een stressfractuur in mijn rechterenkel. Pas zes maanden en heel wat kinesessies later kan ik opnieuw rustig beginnen te lopen. De 10 Miles zijn op dat moment al een verre herinnering. "Intervaltrainingen werpen alleen hun vruchten af als je al een goede conditie hebt. En zelfs dan moet je ze nog heel goed doseren", zegt Energy Lab-coach Paul Van Den Bosch (59).

"Versnellingen zijn heel belastend voor je lichaam: het risico op blessures verhoogt substantieel. Ik schat dat je toch zonder problemen een uur lang 10 km/u moet kunnen lopen voor je je aan intervaltrainingen mag wagen. Als je er zonder echte opbouw mee begint, zoals jij vorig jaar, heb je veel kans op blessures."

Lees het volledige artikel

nu onmiddellijk digitaal op Blendle. Klik hier, meld je aan en lees! Of in het januarinummer, nu in de winkel!