Koesterburen

Bruine vuurvlinder

De bruine vuurvlinder of Lycaena titrus is een vrij kleine dagvlinder uit de familie van de blauwtjes. In tegenstelling tot de andere vuurvlindersoorten heeft de onderkant van de achtervleugels een geelbruine basiskleur. Op de randen van de voor-en achtervleugels zitten oranje vlekken en een zwarte en witte rand.

De mannetjes zijn donkerbruin met een blauwgroene schijn en hebben een onderbroken oranje band aan de bovenkant van de vleugels. Bij de vrouwtjes is de bovenkant van de vleugels gedeeltelijk oranje met zwarte stippen.

Waarnemen?

De vlinder vliegt meestal in twee generaties per jaar: een eerste van begin mei tot eind juni (met een piek tussen 10 mei en 10 juni). Een tweede generatie, die meestal talrijker is van eind juni tot begin september.

Bruine vlinder 1
bruine vuurvlinder (©Luc Hoogenstein_Buitenbeeld)

Bruine vlinder 2
mannetje ©Wouter Van Reusel
Bruine vlinder 3
vrouwtje ©Ilf Jacobs
Leefgebied
©RLNH

Leefgebied

De bruine vuurvlinder houdt van kleine hooilandjes en graslanden met veel kruiden en bloemen zoals scherpe boterbloem, gewoon duizendblad, knoopkruid en gewoon biggenkruid als nectarplant. Maar ook veldschuring en schapenzuring zijn onmisbaar in deze hooilanden. Deze waardplanten staan op het menu van de rupsen.

Het vrouwtje legt haar eitjes op deze planten, liefst op een open plekje, dat vlot opwarmt zodat de rupsen snel ontwikkelen.

De vlinder verkiest windstille hoekjes langs houtkanten en bosranden om rustig te zonnen.

Voorkomen

De Bruine vuurvlinder was vroeger vrij algemeen, maar is momenteel zeer zeldzaam. Sinds het begin van de 20ste eeuw neemt de grootte van het verspreidingsgebied voortdurend af en vooral in het begin van de jaren tachtig is de achteruitgang bijzonder sterk. Herhaaldelijk werd gedacht dat deze soort uitgestorven was in Vlaanderen. In 2004 werden dan toch opnieuw enkele exemplaren aangetroffen in Begijnendijk. Uit zoektochten door vrijwilligers in 2005 en 2006 bleek dat de soort nog op verschillende percelen aanwezig was, maar de regio Aarschot-Baal-Begijnendijk was de enige plaats waar de soort herhaaldelijk bleef opduiken.

Droge zure graslanden en matig voedselrijk grasland vormen het natuurlijke habitat van deze soort. De vlinder komt vooral voor op privé-percelen, buiten natuurgebied. Onaangepast of achterstallig beheer van deze vaak 'vergeten' gronden' vernietigt spijtig genoeg het leefgebied van de bruine vuurvlinder. Het gaat dan vooral om:

  • Te intensief beheer: overbegrazing en ongeschikt maaibeheer
  • Te weinig beheer: verruiging, verbossing en niet afvoeren van maaisel
  • Foute beheerperiode

Voorkomen
©RLNH

Beheer graslanden

Rock Werchter x
©RLNH

Gemaaide graslanden zijn beter dan begraasde graslanden. Door te maaien wordt de voedingstoestand geschikt gemaakt of gehouden. Matig voedselrijke graslanden kunnen best twee maal per jaar gemaaid worden. De eerste keer in de tweede helft van juni. De tweede maaibeurt na de laatste vliegperiode van de vlinder (ten vroegste begin september). Voor voedselarme percelen volstaat één maaibeurt.

Het is belangrijk dat de hooilanden kort de winter ingaan. Zo is het grasland een ideale thuis voor de eerste vliegende vlinders in de lente.

Deze vlinder houdt van afwisseling: hoge en lage stukjes gras. Hiervoor wordt bij elke maaibeurt een stuk van het perceel niet gemaaid. Zo blijven er steeds natuurlijke hulpbronnen zoals nectar, voedselplanten en voldoende structuur aanwezig. Door deze plek telkens te wisselen, wordt verruiging vermeden.

Boerenzwaluw

Herkenning

De Boerenzwaluw is met zijn blauw-witte verenkleed, rode keel en voorhoofd, zijn scherpe, slanke vleugels en diepgevorkte staart met lange buitenste staartveren een welbekende dorpsbewoner. Bij jonge dieren zijn de buitenste staartpennen korter en stomper en dus minder opvallend. De vlucht is snel en krachtig. Ondanks zijn beperkte lichaamsmassa (ca. 20 gram), kunnen ze bij het vliegen snelheden van meer dan 30 km/u halen. De Boerenzwaluw kan soms verward worden met de Huiszwaluw. Die laatste heeft echter een witte i.p.v. een rode keel, kortere vleugels en een minder diep gevorkte staart met witte stuit. De Huiszwaluw maakt zijn nest ook eerder aan de buitengevel van een huis, terwijl dit de Boerenzwaluw eerder in gebouwen zal nestelen.

Belevingscentrum
Boerenzwaluw © Hans Gebuis-Buitenbeeld

Leefgebied

Boerenzwaluwen broeden graag in de nabijheid van mensen en maken hun nest in schuren en stallen. Ze hebben een sterke voorkeur voor koeienstallen, maar ook in sommige varkensstallen kunnen behoorlijke kolonies Boerenzwaluw aangetroffen worden. De aanwezigheid van vee brengt insecten met zich mee, die de zwaluwen van het nodige voedsel voorzien. Doorgaans wordt een halfopen nestje van klei, modder en strootjes tegen een balk of onder het plafond gemaakt. In tegenstelling tot de Huiszwaluw, kleven Boerenzwaluwen hun nesten niet aan elkaar.

De Boerenzwaluw is een uitgesproken trekvogel. Rond augustus-september vertrekken ze naar hun winterverblijven in Midden-Afrika en Zuid-Afrika. Slechts een zeer klein aantal blijft achter in het zuidelijk deel van Europa. Veel vogels overleven de overtocht over de Sahara echter niet. Slechts 20% slaagt erin om het jaar nadien weer terug te keren. De eerste zwaluwen komen hier rond eind maart terug aan. Het gros volgt dan begin april. Vrijwel alle oudervogels keren naar de oude broedplaats terug. Van de jongen vestigt zich 80% binnen een straal van 2,5 km van de geboorteplaats.

Jaarlijks worden 2 tot 3 broedsels gelegd. Het voedsel bestaat bij voorkeur uit grotere insecten die binnen 500 m rond de broedplaats worden verzameld. In tegenstelling tot Huiszwaluw leven Boerenzwaluwen ook alleen of in een losser kolonieverband.

Knel- en aandachtspunten

  • Het hermetisch afsluiten van stallen waarin de soort vaak nestelt moet vermeden worden.
  • Boerderijen met moderne stallingen zijn veel minder geschikt als broedplaats . Door het hermetisch afsluiten van stallen verdwijnt nestgelegenheid.
  • Schaalvergroting en intensivering van de landbouw leidt tot minder diversiteit in het landbouwlandschap en een verminderd aanbod aan een geschikt jaaghabitat.
  • Er is steeds minder bouwmateriaal voor het nest voorhanden door het verdwijnen van modderpoeltjes rond landbouwerven.
  • Door overmatig gebruik van insectenverdelgers vermindert het aantal insecten of komen schadelijke stoffen in het lichaam van zwaluwen terecht.
  • Problemen in de overwinteringsgebieden. Slecht weer en vogelvangst tijdens de trek, evenals het verder uitbreiden van de Sahara zodat ze grotere afstanden moeten afleggen om naar de winterverblijfplaats te vliegen.
  • Door hogere hygiënische vereisten in de moderne bedrijfsvoering zijn er minder insecten aanwezig in de stallen en op het erf wat minder voedsel voor de zwaluwen tot gevolg heeft.

Belevingscentrum
nest jonge boerenzwaluw ©Johan Vandeplas

Belevingscentrum
©Marcel Vos

Belevingscentrum
©Marcel Vos