Je loopt een marathon, maar aan de finish staat er meer dan 42,195 km op je teller. Daarvoor zijn verschillende verklaringen mogelijk.

Om te beginnen meet het ene sporthorloge nauwkeuriger dan het andere. Tegenwoordig laten wedstrijdorganisaties de afstand wel steeds vaker controleren door een erkende IAAF-opmeter, die de ideale lijn uitstippelt. Maar zelfs al loop je gedurende heel de marathon op die ideale lijn, dan nog is het perfect mogelijk dat er na afloop van de wedstrijd meer dan 42,195 km op je sporthorloge staat.

In ons maartnummer legt erkend opmeter André Mingneau uit hoe zo'n meting in zijn werk gaat: "Meestal gebeurt dat in de vroege uurtjes tijdens het weekend, zeker bij stadsmarathons. Voor onze veiligheid krijgen we een escorte van politiemotoren. Dat is geen overbodige luxe, want we volgen altijd de ideale lijn - van binnenbocht naar binnenbocht. Dat betekent dat we soms tegen de rijrichting van het verkeer in moeten fietsen."

Na de meting gaan de opmeters terug naar de ijkbasis om de teller nog eens te ijken. Het is niet ongewoon dat er een minimaal verschil is met de eerste ijking. Later op de dag is de temperatuur meestal een stukje hoger waardoor de fietsbanden warmer zijn, en de wielomtrek groter. Een computerprogramma helpt om al deze correcties in te passen. Mingneau: "Het is ook belangrijk dat we uit voorzorg per kilometer altijd een extra marge van één meter bijtellen. Een correct opgemeten marathon is dus altijd en overal 42 meter te lang."

Het volledige artikel lees je in ons maartnummer (nu in de winkels), of hier digitaal.