Thomas De Gendt is klaar om zijn status als aanvalskoning in de Tour opnieuw alle eer aan te doen. Wij legden hem vier pittige stellingen voor, die hij op geheel eigen wijze onder de loep nam: no-nonsense en zonder blad voor de mond.

We ontmoeten Thomas De Gendt in de lobby van het Novotel-hotel in Maçon, op een avond tijdens het Critérium du Dauphiné. De Oost-Vlaming geeft ons een uur eerder dan voorzien acte de présence. "Ik zit hier toch maar op mijn kamer te wachten", legt hij uit. "Dan spreek ik je liever wat eerder, zodat we meer dan tijd genoeg hebben." Zo horen we het graag: no-nonsense, op 't gemak. Twee uur lang gunt hij ons een blik in zijn rennersbestaan, en hoewel elke journalist weet dat schrijven ook schrappen is, doet het onze deze keer toch net iets meer pijn. In de aanloop naar de Tour de France legden we hem enkele offensieve stellingen voor. Offensief, inderdaad, want de Gendt is nu eenmaal een aanvaller die altijd eerlijk zijn mening geeft.


STELLING 1: AANVALLEN IS EEN KUNST OP ZICH

De Gendt: "Dat klopt. Je moet er een beetje een neus voor hebben. Vorig jaar reed ik 23 dagen in het offensief, goed voor één op de twee ritten waarin ik van de ploeg mijn kans mocht gaan. Dat lijkt me geen slecht gemiddelde (lacht)."

Hoe komt het dat het jou zo vaak lukt om weg te rijden?
"Eerlijk? Het blijft een beetje loterij, maar je kan je kansen wel stevig opkrikken. Mijn ervaring speelt een grote rol en vooral: je moet 'goesting' hebben om aan te vallen. Sommige renners krijgen van hun ploegleider het bevel om weg te springen, maar als je geen zin hebt, heb je toch altijd wat minder energie in de benen. Je moet willen ontsnappen en rekening houden met een aantal factoren."

Lees het volledige interview in het julinummer van cycling.be magazine, nu in de winkel! Of lees HIER online verder via Blendle.